'Als iedereen al een bescheiden percentage wilde planten toevoegt, maken we samen echt meters' |
|
|
|
|
 |
| 201 sec |
Gebiedseigen zadenmengsels voor lokaal biodiversiteitsherstel
Gebiedseigen zadenmengsels winnen snel terrein in gemeentelijk groenbeleid en specialist Cruydt-Hoeck staat aan de basis van die ontwikkelingen. Het Friese bedrijf, sinds 1978 actief in de teelt van wilde inheemse zaden en planten, ontwikkelde de afgelopen jaren honderden streek- en gemeentemengsels die specifiek zijn afgestemd op regionale bodemtype, historische vegetatie en ecologische omstandigheden. Ze kunnen direct worden toegepast in bermen, parken, rotondes en nieuwbouwprojecten. Mede-eigenaar Jasper Helmantel: 'Biodiversiteit begint bij de juiste zaden op de juiste plek.'
| Berm in Groningen. Bron: Cruydt-Hoek |
Cruydt-Hoeck ontwikkelde inmiddels honderden maatwerk- en standaardmengsels, afgestemd op regionale bodem- en klimaatomstandigheden. In samenwerking met ecologen en beheerders worden historische floraopnames geanalyseerd, soorten geselecteerd op ecologische waarde én beheerbaarheid en vertaald naar praktisch toepasbare mengsels die gemeenten direct kunnen voorschrijven in aanbestedingen en bestekken. Jasper Helmantel, mede-eigenaar van Cruydt-Hoeck, ziet daarin een kantelpunt: 'Wij leveren niet alleen inheemse soorten, maar ook inheemse soorten van autochtone herkomst. Het verschil is wezenlijk. Je kunt een soort die ook in Nederland voorkomt uit Oost-Europa halen, maar dan mis je de lokale genetische aanpassing. Voor stedelijke openbare ruimte is dat al relevant, in het buitengebied, zoals bij dijken, wegbermen en natuurverbindingen is het cruciaal. Insecten, bestuivers van voedselgewassen en vogels zijn evolutionair verbonden met de planten die hier oorspronkelijk groeiden. Wil je een stabiele ecologie herstellen, dan moet je die oorspronkelijke relaties terugbrengen.'
Gebiedseigen zadenmengsels voor de openbare ruimte
In een tijd waarin biodiversiteit onder druk staat, kiezen steeds meer gemeenten bewust voor gebiedseigen zadenmengsels in de openbare ruimte. Cruydt-Hoeck, dat ooit begon als een klein bedrijf dat in 2007 werd voortgezet door Jasper Helmanten en Jojanneke Bijkerk, is nu uitgegroeid tot een missiegedreven bedrijf voor biodiversiteitsherstel. Het is uitgegroeid tot een organisatie met ruim vijftig medewerkers, circa 65 hectare zaadproductie en levering aan gemeenten, provincies, waterschappen, groenvoorzieners, hoveniers en particulieren in Nederland en Vlaanderen.
 | | Jasper Helmantel. Bron: Cruydt-Hoeck |
|
|
Helmantel legt uit: 'Voor de openbare ruimte is regionale herkomst belangrijk; voor het buitengebied, zoals dijken, wegbermen en natuurverbindingen is het cruciaal. Insecten, bestuivers van voedselgewassen en vogels zijn gebaat bij planten waarmee zij evolutionair verbonden zijn. Ecologisch herstel begint dus bij de juiste genetische basis.'
|
|
'Wij leveren niet alleen inheemse soorten, maar ook inheemse soorten van autochtone herkomst'
| |
|
342 maatwerkoplossingen
De vraag vanuit gemeenten nam de afgelopen jaren sterk toe. Corona, personele krapte en het vertrek van ervaren ecologen maakten duidelijk dat er behoefte was aan houvast. 'Gemeenten zeiden: we willen versnellen, maar we hebben niet de capaciteit om bij elke berm of rotonde opnieuw het wiel uit te vinden,' vertelt Helmantel. 'Kunnen jullie een standaardbasis ontwikkelen? Zo zijn de gemeentemengsels ontstaan. Inmiddels hebben we ruim 500 verschillende mengsels ontwikkeld voor de 342 gemeenten, telkens gebaseerd op bodemtype, historische floraopnames en praktische toepasbaarheid. De samenstelling begint bij de bodem: zand, klei, veen of overgangsvormen. Een kleigemeente langs de rivieren vraagt om andere soorten dan kleigronden in het waddengebied; duinzand in Noord-Holland verschilt van Drents dekzand. Tegelijk moeten mengsels beheerbaar en maatschappelijk acceptabel zijn. Soorten als brandnetel (Urtica dioica), ridderzuring (Rumex obtusifolius) of jakobskruiskruid (Jacobaea vulgaris) zijn ecologisch waardevol, maar worden niet overal toegepast.' 'We kijken steeds naar drie factoren,' vervolgt Helmantel. 'Ecologische waarde, beheerbaarheid en kweekbaarheid. Het moet aantrekkelijk zijn voor insecten, maar ook werkbaar voor aannemers en acceptabel voor inwoners. Soms finetunen gemeenten, zoals Tilburg, samen met hun ecologen het voorstel; andere gemeenten nemen het integraal over. Het voordeel is dat zo'n vastgesteld mengsel direct kan worden voorgeschreven in bestekken en ook bij buurtinitiatieven zonder extra overleg kan worden toegepast.'
 | | Hemmo Jager |
|
|
Groningen: pionier in gebiedseigen mengsels
De samenwerking met Groningen loopt al sinds 2008. Het eerste project was het N5-Nectar-onder-het-maaimesmengsel, ontwikkeld met toenmalig stadsecoloog Klaas van Nierop. Daarna volgden het Hogelandmengsel, het Oostwestmengsel en het Hondsrugmengsel. Hemmo Jager, de stadsecoloog die hierbij ook betrokken was, licht toe: 'Groningen kent drie hoofdgrondsoorten: klei in het noorden, veenruggen aan de randen en zand in het zuiden van de gemeente Groningen. Voor elk gebied is onderzocht welke soorten historisch voorkwamen en welke ecologisch kansrijk zijn. Op kleigronden vind je bijvoorbeeld pastinaak (Pastinaca sativa), paarse morgenster (Tragopogon porrifolius) en gewone agrimonie (Agrimonia eupatoria) langs bermen en dijken. Op venige bodems groeien schapenzuring, (Rumex acetosella) en katjeskruid, terwijl de Hondsrug andere, zandminnende soorten vraagt.'
|
|
Samen met de gemeente Groningen heeft Cruydt-Hoeck verschillende gebiedseigen zadenmengsels ontwikkeld
| |
|
 | | Rozenburglaan, Groningen |
|
|
Beheer als sleutelfactor
Volgens Jager is zaaien slechts een radartje in een groter geheel. Hij weet dat als geen ander omdat hij voor zijn aantreden bij het ingenieursbureau van Groningen werkzaam was bij Stadsbeheer van de gemeente Groningen en zich onder meer bezighield met bestekken opstellen en toezicht houden. 'De bodemconditie is bepalend. Bij nieuwe inrichting is de grond vaak te voedselrijk. Dan mengen we zand door klei en bewerken we de bodem met een rotorkopeg zodat een rul zaaibed ontstaat. Kleine kuiltjes bevorderen de kieming van kruiden ten opzichte van grassen. In het eerste jaar maaien we vaker om grasdominantie te onderdrukken en voeren we het maaisel af om verschraling te stimuleren. Later volstaat meestal twee keer per jaar gefaseerd maaien, maar altijd afgestemd op bodemtype en soortenmengsel.' Gefaseerd maaien creëert bovendien schuilplaatsen voor insecten en kleine zoogdieren. Monitoring van de toename in biodiversiteit gebeurt in Groningen sinds 2025 periodiek plaats op referentiegebieden, waarbij flora en fauna systematisch worden geïnventariseerd. 'We kijken niet alleen naar plantensoorten,' zegt Jager, 'maar ook naar insecten, vlinders, vleermuizen en grondgebonden zoogdieren.'
Een fijnmazig netwerk
Helmantel plaatst het werk van de gemeente in een breder perspectief: 'We recreëren graag in de natuur en genieten van wilde bloemen, maar biodiversiteit hoort niet alleen thuis in natuurgebieden. De openbare ruimte en particuliere tuinen samen beslaan een oppervlak dat vele malen groter is dan bijvoorbeeld Nationaal Park De Hoge Veluwe. Ze vormen een fijnmazig netwerk van ecologische hubs in een landschap dat verder bestaat uit bedrijventerreinen en intensieve landbouw. Als je dat netwerk versterkt met gebiedseigen soorten, creëer je verbindingen waarlangs soorten zich kunnen verplaatsen. Als iedere gemeente haar bodem kent en daar consequent op stuurt, ontstaat vanzelf een robuust netwerk van leefgebieden. En als iedere tuineigenaar en gemeente een, al is het een bescheiden, percentage wilde planten toevoegt, maken we samen echt meters in biodiversiteitsherstel.'
| LOGIN
met je e-mailadres om te reageren.
|
|
|
| Er zijn nog geen reacties. |
|